De oprichter van het systeem stond bekend als
Doshin So. Doshin So werd geboren als Michiomi
Nakano, zoon van een lid van de Japanse
nationalistische Black Dragon Society.
In 1928 begon hij in Mantsjoerije de Chinese
vechtkunst te bestuderen onder leiding van een
Chinees priester.
In het Chinese Peking kwam ontmoette hij Wen
Lou-shi, een grootmeester in een van de noordelijke
sjaolinstijlen van de Chinese vechtkunst, bekend als
I-He Quan. Men neemt aan dat Wen gestudeerd heeft
aan het Sungshan sjaolinklooster.
Nakano trainde onder deze meester en men liet hem
muurschilderingen zien, toen hij de sjaolintempel
bezocht. De schilderingen gaven hem inspiratie en
hielpen hem de basis voor de Shorinji Kempo en de
Kongo-Zen te ontwikkelen.
De kern van Shorinji Kempo is de
Kongo-Zen filosofie. Kongo-Zen betekent : "een geest
als een diamant hebben".
Na de
onafhankelijkheid van Indonesie in 1949
keerden veel Indonesische Nederlanders
terug naar Nederland en brachten hun
kennis van het Indonesische Kuntao (Kun
Tau) mee naar Nederland. Een aantal
grootmeesters heeft het Indonesische
kuntao in Nederland geïtroduceerd. Onder
leiding van grootmeesters Faulhaber en
Meijers raakte de kunst in Nederland
bekend onder de naam Shaolin Kempo.
Het Shaolin Kempo is
na de introductie in Nederland ten dele
vermengd met andere Oosterse
vechtkunsten zoals het karate en het
judo.
Vanuit Japanse
invloeden ontstond het Okinawa Kempo.
Kempo is in
de jaren 50 van de vorige eeuw ook via
Hawai in de Verenigde Staten
geïtroduceerd en door Ed Parker
ontwikkeld tot een geheel eigen vorm,
genaamd Kenpo Karate.
Stijlen
Kempo Karate
Kempo Kuntao
Oranda Ryu Kempo
Shaolin Kempo
Technieken
Kenmerkend voor alle
Kempostijlen en stromingen, is dat de
Kempoka zowel zijn handen, armen als
benen en voeten gebruikt om aanvallen te
weren. Vaak volgt een tegenaanval direct
op een verdediging, waarbij stoten,
slagen, trappen, klemmen en worpen
mogelijk zijn. Technieken worden vanuit
het lichaam ingezet, en zijn niet
beperkt tot een beweging met een arm of
been. Het gevecht start vaak op de lange
tot middellange afstand (been of
armlengte), maar kan overgaan in een
gevecht op korte afstand (vastpakken en
klemmen) en met een worp of
een veeg doorgaan en
uiteindelijk eindigen op de grond.
De aanval wordt niet
hard geweerd, maar ontweken door uit de
baan van de aanval te draaien of te
stappen. Vaak zijn elementen van
dierstijlen in het kempo te herkennen
zoals de draak, tijger, kraanvogel,
slang en luipaard. Zowel lage als hoge
standen behoren tot het repertoire van
een Kempoka.
Graden
Het Kempo
kent kyu/khap
graden en dan graden. De kleuren van
de banden kunnen per stijl / school
verschillen. Vanaf de
eerste dan wordt een zwarte band
gedragen.